‘Mórgen is al ver, een vervolgopleiding is een andere planeet

Baangarantie Rotterdam Ze kúnnen opleidingen met harde baangaranties kiezen, maar vmbo-leerlingen op Zuid kiezen vaak voor minder kansrijke opleidingen. Waarop baseren ze hun keus?

‘Een 7.7 voor wiskunde! Wat goed!” De 15-jarige Aysegul kan een trotse glimlach niet onderdrukken. Ze heeft zo een Engelstoets. Of dat net zo goed zal gaan? Nee; niet geleerd.” Aysegul is op spreekuurbezoek bij de loopbaanbegeleider van het Rotterdamse Zuiderpark College, Sven Larssen. Het is al de derde afspraak – ze zit er vrijwillig, in haar pauze.

Veel klasgenoten van Aysegul – grote knot midden op het hoofd, bordeauxrode coltrui – hebben de houding: ‘we zien het wel als het zover is’, zegt ze. Dat gaat haar, Zuiderling en dochter van werkloze ouders, niet overkomen. Ze denkt al veel na over haar vervolgopleiding, ook al duurt het nog anderhalf jaar voor ze begint op het mbo. Vroeger vond ik alles leuk maar nu denk ik: er moet wel ook genoeg geld zijn om de huur te betalen. Ik wil gesprekken voeren, bliksemstages lopen.”

Deze loopbaanbegeleiding is bedoeld om de hoge werkloosheid van jongeren op Zuid terug te dringen. Het is onderdeel van het ‘loopbaanbegeleidingstraject’ (lob) van het Nationaal Programma Rotterdam-Zuid (NPRZ), dat al begint op de basisschool en de hele schoolcarrière doorloopt. Een ander middel is de zogeheten AanDeBak-garantie: daarmee zijn jongeren die bepaalde opleidingen volgen in de haven, de techniek en de zorg, vooraf al verzekerd van een baan. In die sectoren is veel werk, maar de vmbo-leerlingen op Zuid kiezen vaak voor minder kansrijke opleidingen in de economiehoek.

Maar deze baangarantie is niet zo populair als je misschien zou denken: lang niet alle garanties worden daadwerkelijk benut door leerlingen. Zeker, het aantal afgenomen AanDeBak-garanties stijgt gestaag, maar er blijft ieder jaar meer aanbod dan vraag. Terwijl de cijfers bewijzen dat zo’n keuze zin heeft, zegt Frank Schutte, projectleider lob en ‘AanDeBak’ van NPRZ: „Het gemiddeld aantal uren dat men werkt na het afstuderen, ligt in de kansrijke sectoren tien tot vijftien procent hoger.”

Het doel voor de komende lichting studenten die een opleiding kiest: minstens de helft van de 1.200 start bij een kansrijke opleiding, mét een ‘AanDeBak-garantie’ in de hand. Het kán lukken, maar zeker is dat niet. Hoe kan dat, als banen op een presenteerblaadje worden aangereikt? En hoe komen leerlingen eigenlijk tot een keuze voor een vervolgopleiding?

Uitdaging 1: hou het simpel

„AanDeBak-garantie, huh, wát?” Vier leerlingen van de derde klas Transport en Logistiek op het Scheepvaart en Transportcollege locatie Waalhaven, kijken wat glazig uit hun ogen. Ze hebben zojuist tijdens een feestelijke uitreiking hun eigen AanDeBak-garantie in ontvangst genomen, maar als ze daar achteraf mee gefeliciteerd worden, blijkt dat ze niet weten wat het is. Hun mentor Marco Sebel verklaart: „De leerlingen krijgen de garantie omdat ze een opleiding hebben gekozen waar de AanDeBak-garantie aan vast zit, het is niet zo dat zij zelf bewust hebben gekozen voor de garantie.”

Als hun wordt uitgelegd wat het is, lijkt het ze op zich best handig, al zijn ze nog niet zo bezig met de toekomst. Het is de houding van ‘we zien het wel’, waar scholier Ayshegul het eerder over had: „Klasgenoten zijn vooral met elkaar bezig”. Dit illustreert de grootste uitdaging van de schoolambities van NPRZ: tot jongeren doordringen. Want ze zijn moeilijk te bereiken, die pubers op Zuid. AanDeBak-garanties, lob-trajecten, kekke filmpjes met comedian Edson da Graça: dat kun je op kantoor wel bedenken, maar hoe weet je of het aanslaat? „Dat is proberen, testen, praten met de scholen over hun ervaringen en onderzoek doen samen met de Erasmus Universiteit,” zegt NPRZ-projectleider Schutte.

Niet alle baangaranties op Zuid gebruiktDe anekdote bij de garantie-uitreiking op het STC zorgt voor herkenning bij docenten en directeuren van andere (v)mbo-scholen op Zuid – die hun twijfels hebben over de invloed van de AanDeBak-garanties op de studiekeuze. „Het is voor de meesten wat te abstract, de AanDeBak-garanties. Op het vmbo voelt een werkgever nog heel ver weg,” zegt Aly Dassen, adjunct-directeur van het MBO Albeda Zorgcollege op Zuid.

Stefan Kras, decaan bij het Avicenna College op Zuid vult aan: „Morgen is al ver, een andere opleiding is een andere planeet. De jongens kijken Champions League, het inkomen van de voetballers is hun referentiekader. Zo’n initiatief als AanDeBak-garanties is misschien handig voor ouders en voor ons om te zien in welke hoek kansrijke beroepen te vinden zijn, maar de leerlingen doet het weinig.”

Uitdaging 2: Andere zorgen

En wie neemt het ze kwalijk? Ze hebben wel andere dingen aan het hoofd. In het kantoortje van Larssen, wiens deur „altijd openstaat” voor leerlingen, is inmiddels Rihengely (13) aangeschoven – ook een grote knot midden op het hoofd en trotse drager van een mintgroen Adidas-trainingspak. Ze had last van agressie-aanvallen. „Ik was altijd boos, ging mensen slaan en zat in een terror-klas. Ik weet niet wat het was.” En dat had zijn weerslag op haar cijfers.

Mijn mentor zei: dit gaat niet goed. Ze werd er wel érg vaak uitgestuurd en een schorsing was in zicht. „Toen zei mama: dit kan niet. Stop daar mee. Alleen maar boos zijn heeft geen zin. Ze kreeg een agressietraining van Larssen. „Ik kreeg weer ruimte in mijn hoofd en zit in een rustige klas. Mijn cijfers zijn weer goed, dus kan ik gaan nadenken over de toekomst.” Wat ze wil? „Kraamverzorging.” Waarom? „Ik pas vaak op mijn neefje van één; vieze luiers doe ik ook gewoon.”

Wouter van der Kolk, vmbo-directeur van het Zuiderpark College: „Ik zie in de praktijk hoe een geboorteplek invloed heeft op de kansen van jongeren. Het is voor sommige leerlingen – met alle sociaal-emotionele problematiek en werkloosheid – al een uitdaging om hier iedere dag te komen, over te gaan, het papiertje te halen, zich veilig te voelen en het naar hun zin te hebben. Bij huisbezoeken schrik ik soms, als ik bijvoorbeeld tien mensen aantref in een tweekamer-appartement. Als al die randvoorwaarden niet op orde zijn en je netwerk is minder goed, hoe kun je dan verwachten dat ze uitgebreid stilstaan bij een vervolgopleiding?”

Uitdaging 3: Ouders

Juist dat netwerk is belangrijk. „Met wie heb je het over je studiekeuze?” vraagt Larssen aan Rihengeley. „Met mijn moeder. Zij werkt ook in de zorg.” Belangrijkste invloeden op de studiekeuze, zo blijkt uit onderzoek volgens Stefan Kras: Voor vijftig procent zijn het de ouders die doorslaggevend zijn voor de studiekeuze. Daarna komen vrienden en vriendinnen: wat doen zij?” Zijn eigen ervaring is dat het verwachte inkomen ook belangrijk is. „Daarna bungelen wij als decanen en lob’ers met onze niet-bindende adviezen”, lacht zijn collega Laila Tahraoui.

Daarom proberen decanen de ouders actief te betrekken bij het lob-traject, maar dat is soms nog lastig. Kras: „Wij organiseerden onlangs een avond voor ouders die in gesprek konden met een potentiële werkgever voor hun kind. Maar dan komen er maar twee opdagen. Dat is pijnlijk, ook voor die werkgever.” Volgens Zuiderpark-directeur Van der Kolk komt dat doordat sommige ouders van dag tot dag leven: „Ze zijn meer bezig met de vraag hoe er brood op de plank komt.” NPRZ erkent dat probleem en zegt er meer aandacht voor ouders komt.

Uitdaging 4: Vooroordelen

Ayshegul krijgt van Larssen een opdracht in het kantoor, waar door de deur inmiddels het gekakel van leerlingen in de gang te horen is. Een stapel kaartjes met plaatjes van beroepen in de zorg – de sector waar zij aan de slag wil – moet ze verdelen in stapeltjes waar ze wel wil werken en waar niet. Ze schuift de kaartjes met bejaarden resoluut naar de stapel ‘niet’. Ze trekt een vies gezicht: „Billenwassen, dat ga ik echt niet doen.”

De sectoren waar veel werk is – zorg, haven, techniek – kampen met vooroordelen en achterhaalde clichés of stereotypen. Zorg? Ieuw, nee, billenwassen. Haven? Dat is iets voor brede mannen van wie halverwege de carrière de rug kapot is van al dat gesjouw. „Terwijl in de haven een bouw juist veel ICT-werk is”, zegt directeur Van der Kolk. „Economie daarentegen staat vaak gelijk aan status. Zeker hier op Zuid”, zegt Schutte. „Met een pak aan op kantoor, dáár wordt het geld verdiend, denken ze.”

Oplossing 1: Ga eropuit

De belangrijkste manier om die vooroordelen te ontkrachten en om ideeën in het hoofd te planten: ervaringen, denken de decanen en NPRZ. „Ik heb me in de begintijd weleens verbaasd over het schijnbare gemak waarmee een studiekeuze wordt gemaakt. Het lijkt soms in een weekje besloten – veelal op basis van wat de jongeren kennen uit hun omgeving of wat ze weleens gezien hebben”, zegt Schutte. Mentor Marco Sebel van het STC. „Zij hebben niets met mooie praatjes. Vaak zie ik ze bij presentaties na een paar minuten ‘uittunen’. Mijn jongens moeten dingen doen. Naar de haven gaan, ondernemen. Zo worden zaadjes geplant.”

En dat doet NPRZ daarom zo vroeg mogelijk: ze beginnen in groep 6 al met activiteiten om jongeren bewust te maken wat bepaalde banen inhouden. Als een school bij een bedrijf langsgaat regelt NPRZ dat ze daar gratis naartoe kunnen. Avicenna-decaan Kras: „Daarin zie ik hun meerwaarde: een platform dat je in contact brengt met andere scholen, mbo’s en potentiele werkgevers.”

Oplossing 2: Vriendjes en vriendinnetjes

Wat ook helpt: voorbeelden. „Komend jaar studeren de eerste ‘AanDeBakkers’ af, we hopen dat zij af en toe komen vertellen over hun ervaringen. Jongeren die dichtbij de vmbo’ers staan die een keuze moeten maken, begrijpen hun leefwereld en kunnen beter levellen dan wij”, zegt Schutte. „In de praktijk merkt Tahraoui (Avicenna College) dat al: „We hadden een jongen die procestechniek koos. Dat ging rondzingen op school en nu groeit de groep die dat kiest, puur omdat die jongen er een goede ervaring mee had. Zo gaat de bal rollen.”

Oplossing 3: Als er eenmaal gekozen is: blijf volgen. Ook op mbo en ná mbo

En als ze dan een mbo hebben gekozen, is het belangrijk dat ze ook tijdens de mbo-opleiding worden begeleid. En zélfs daarna, vindt Aly Dassen, adjunct-directeur van het MBO Albeda Zorgcollege, die ook in de zorg werkte. „Er is veel uitval in de eerste twee jaar dat mijn leerlingen in de zorg starten en dat is vooral om randzaken waarbij begeleiding kan helpen: werkdruk, waardering, loopbaanperspectief.”

Waarom de vijftig procent leerlingen in kansrijke sectoren nog niet gehaald is? Het is eigenlijk ook een wat ongeduldige vraag, volgens Schutte (NPRZ). „We zijn pas vier jaar bezig met dit project en het kost tijd om contacten te leggen en ideeën over beroepen en loopbaanbegeleiding te veranderen. Bedenk dat het alleen al twaalf jaar kost voordat de kinderen uit groep zes waar we mee beginnen, de arbeidsmarkt op stromen.”

Bron